De avondhemel gloeit roze boven een donkere oeverstrook, terwijl twee kale bomen hun dunne takken voor de bergen uitsteken. Egon Schiele schilderde deze zonsondergang in 1913, in de jaren tussen zijn vroege schandalen en zijn latere roem, en je ziet meteen dat hier geen impressionist aan het werk is: het landschap is opgedeeld in horizontale zones, bijna geconstrueerd, met harde contouren rond heuvels en watervlakten. Onderaan ligt het land in diepgroen en paars, doorspekt met kleine gele stipjes die als verre lichtjes lijken; bovenaan lost alles op in een zacht roze, waarin de bergketen met een blauwe rand afsteekt. Tussen melancholie en tederheid houdt het schilderij een vreemd evenwicht in stand - typisch voor Schiele, die ook in zijn landschappen nooit idyllisch wordt. Rechts van het midden staat zijn karakteristieke blokhandtekening met het jaartal in de donkere heuvel.
Rondom het vierkante formaat van 48 x 48 cm loopt Levana, een smalle houten lijst in wit op naturel - en juist deze combinatie draagt hier veel bij. De witte laklaag bedekt het hout niet glad, maar laat de poriënstructuur zichtbaar; kleine langwerpige verdiepingen lopen over de voorkant van de lijst als een fijne arcering. Bij de hoeken sluiten de verstekken zo nauwkeurig op elkaar aan dat de nerf van beide zijden zonder verschuiving in elkaar overgaat. De randen blijven scherp, het profiel vlak en zonder franje - meer heeft de strakke beeldopbouw van Schiele ook niet nodig; alles wat speelser is, zou hier storen. De blik blijft het langst hangen bij een detail van de oppervlakken: in de open poriën van de lat blijft het licht even hangen, terwijl het over het satijnachtige doek ernaast gelijkmatig verder trekt - twee materialen die zichtbaar verschillend reageren op hetzelfde licht.