| Geboren | 2 augustus 1627 (Dordrecht) |
| Overleden | 19 oktober 1678 (Dordrecht) op 51-jarige leeftijd |
| Nationaliteit | Nederland |
| Epochen | Barok |
| Genre | Porträt |
| Beroep | Maler, Schriftsteller, Dichter, Grafiker, Kunsthistoriker |
| Familie | Vader: Dirk van Hoogstraten Broer of zus: Jan van Hoogstraten, François van Hoogstraten |
| Leermeester van | Rembrandt |
| Lidmaatschappen | Bentvueghels |
| Bekende werken | View of an Interior (1658), Salmacis and Hermaphroditus (1673), Trompe-l'oeil-Stilleben (1664), Selbstporträt (1647), Alter Mann im Fenster (1653) |
| Musea | Art Institute of Chicago |
Op 6 augustus 1651 stond een jonge schilder uit Dordrecht in de audiëntiezaal van keizer Ferdinand III in Wenen en legde drie schilderijen voor: een portret, een doornenkroning en een stilleven, geschilderd als een echt brievenbord, een houten plank met leren banden waartussen brieven en schrijfgerei worden geklemd. De keizer liet zich misleiden. Een latere leerling van de schilder, Arnold Houbraken, tekende op dat Ferdinand zou hebben verklaard dat dit de eerste schilder was die hem ooit had bedrogen. Als straf zou hij het schilderij hebben gehouden; de schilder gaf hij daarvoor een gouden keten met een genadepenning. De penning bevindt zich tegenwoordig in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. De schilder heette Samuel van Hoogstraten, een Nederlander, en vanaf dat moment schilderde hij de keten en de penning nadrukkelijk in zijn stillevens. Op het schilderij ‘Geveinsde brievenrek met schrijfgerei, c.1655’, tegenwoordig in het San Diego Museum of Art, hangt de penning tussen brieven, een schaar en een ganzenveer; het rode zegel gloeit tegen het donkere hout.
Samuel van Hoogstraten werd op 2 augustus 1627 in Dordrecht geboren. Zijn vader Dirck, schilder en zilversmid, gaf hem zijn eerste lessen; de familie behoorde tot de doopsgezinde gemeente. Na de dood van zijn vader trad de jongeman begin jaren 1640 in Amsterdam toe tot het atelier van Rembrandt. Op 16 mei 1651 was hij aan zijn grote reis begonnen, die hem naar Wenen bracht; in 1652 trok hij via Venetië en Genua naar Rome, waar de Bentvueghels, het Nederlandse kunstenaarsgenootschap, hem de bijnaam Batavier gaven, naar het oude volk van de Nederlanden. In 1653 keerde hij terug naar het keizerlijke hof en volgde hij het hof in de herfst naar Regensburg.
Uit deze Weense periode stamt ‘Man bij een raam, 1653’, dat tegenwoordig in hetzelfde museum hangt als de keizerlijke penning. Een oude man met een met bont afgezette muts leunt achter het geopende raam van een venster met ronde ruitjes, zijn grijze baard valt over het kozijn en zijn blik gaat aan ons voorbij. Op de stenen vensterbank staat een piepklein glazen flesje, zo nauwkeurig geschilderd dat men ernaar zou willen grijpen. We ervaren het schilderij als een proef op de som, want opnieuw moet het oog een geschilderd venster vertrouwen.
In 1656 keerde hij terug naar Dordrecht. Op 22 mei namen de munters van Holland hem op in hun broederschap, en bij de Dordtse Munt diende hij uiteindelijk als provoost, een soort opzichter; op 18 juni trouwde hij met Sara Balen. Daarnaast schreef hij sonnetten en treurspelen, en in zijn atelier leerden Aert de Gelder en diezelfde Arnold Houbraken, die later de anekdote over de keizer optekende. Van 1662 tot 1667 woonde hij in Londen en schilderde hij voor verzamelaar Thomas Povey een groot perspectiefstuk. Samuel Pepys, de beroemdste dagboekschrijver van Engeland, trapte er in januari 1663 tweemaal in en noteerde dat achter de geopende kastdeur niets anders had gehangen dan een vlak schilderij; juist dat bewonderde hij het meest.
Het verst dreef hij het spel in zijn perspectiefkasten. Wereldwijd zijn zes van zulke kasten uit de 17e eeuw bewaard gebleven; de beroemdste is van Hoogstraten en heeft als enige twee kijkgaten. De ‘Perspectiefdoos van een Nederlands interieur’ demonstreert het principe: een kast van notenhout, vanbinnen beschilderd met olieverf, met daarbij een glazen spiegel die het licht naar binnen leidt. Vanaf de open zijde lijken de vormen vervormd; een kat duikt weg op de gedekte tafel naast een schaal met oesters, daarachter opent zich een donkere boog met het opschrift Memento Mori, gedenk te sterven. Pas door het kijkgat voegt alles zich samen tot een overtuigende kamer.
De subtielste van zijn misleidingen hangt in het Louvre: ‘De pantoffels, late 17e eeuw’. Het museum dateert het schilderij tussen 1655 en 1662. Te zien is een blik door open deuren in een lege enfilade van kamers; een bezem leunt tegen de muur, een sleutelbos hangt aan de stoel en op de drempel wachten de pantoffels. Misleid door een valse signatuur schreef de 19e eeuw het tafereel toe aan de schilder Pieter de Hooch, en enige tijd gold het als een werk van Vermeer; zelfs een hond en een meisjesfiguur werden erin geschilderd en later weer verwijderd. Pas in 1955 stelde kunsthistoricus Eduard Plietzsch voor het schilderij aan Hoogstraten toe te schrijven; tegenwoordig is die toeschrijving onomstreden. Het hangt onder zijn ware naam in het Louvre, en diezelfde naam staat nu ook op de kunstdrukken die wij voor onze klanten vervaardigen.
Ten slotte richtte de bedrieger zijn blik op zichzelf en zijn kennis. In 1677 schilderde hij een ‘Zelfportret’. In 1678 verscheen in Rotterdam zijn leerboek, de Inleyding, een inleiding tot de hoge school van de schilderkunst in negen boeken, die elk aan een muze zijn gewijd, en tegelijk de enige omvattende schildertheorie van een Nederlandse kunstenaar uit de latere 17e eeuw. Daarin oordeelde de leerling van Rembrandt over de Nachtwacht, het beroemde groepsportret van schutters door zijn leermeester: het was zo schilderachtig opgevat en zo krachtig dat alle andere schuttersstukken ernaast op speelkaarten leken; alleen had hij meer licht gewenst. Na de verschijning restten de auteur nog slechts enkele maanden. 19 oktober 1678 werd zijn laatste dag; Dordrecht begroef zijn muntprovoost in de Munterskapel van de Grote Kerk. Sara, zijn vrouw, stierf enkele weken na hem, op 22 november 1678.
Pagina 1 / 1
| Geboren | 2 augustus 1627 (Dordrecht) |
| Overleden | 19 oktober 1678 (Dordrecht) op 51-jarige leeftijd |
| Nationaliteit | Nederland |
| Epochen | Barok |
| Genre | Porträt |
| Beroep | Maler, Schriftsteller, Dichter, Grafiker, Kunsthistoriker |
| Familie | Vader: Dirk van Hoogstraten Broer of zus: Jan van Hoogstraten, François van Hoogstraten |
| Leermeester van | Rembrandt |
| Lidmaatschappen | Bentvueghels |
| Bekende werken | View of an Interior (1658), Salmacis and Hermaphroditus (1673), Trompe-l'oeil-Stilleben (1664), Selbstporträt (1647), Alter Mann im Fenster (1653) |
| Musea | Art Institute of Chicago |
Op 6 augustus 1651 stond een jonge schilder uit Dordrecht in de audiëntiezaal van keizer Ferdinand III in Wenen en legde drie schilderijen voor: een portret, een doornenkroning en een stilleven, geschilderd als een echt brievenbord, een houten plank met leren banden waartussen brieven en schrijfgerei worden geklemd. De keizer liet zich misleiden. Een latere leerling van de schilder, Arnold Houbraken, tekende op dat Ferdinand zou hebben verklaard dat dit de eerste schilder was die hem ooit had bedrogen. Als straf zou hij het schilderij hebben gehouden; de schilder gaf hij daarvoor een gouden keten met een genadepenning. De penning bevindt zich tegenwoordig in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. De schilder heette Samuel van Hoogstraten, een Nederlander, en vanaf dat moment schilderde hij de keten en de penning nadrukkelijk in zijn stillevens. Op het schilderij ‘Geveinsde brievenrek met schrijfgerei, c.1655’, tegenwoordig in het San Diego Museum of Art, hangt de penning tussen brieven, een schaar en een ganzenveer; het rode zegel gloeit tegen het donkere hout.
Samuel van Hoogstraten werd op 2 augustus 1627 in Dordrecht geboren. Zijn vader Dirck, schilder en zilversmid, gaf hem zijn eerste lessen; de familie behoorde tot de doopsgezinde gemeente. Na de dood van zijn vader trad de jongeman begin jaren 1640 in Amsterdam toe tot het atelier van Rembrandt. Op 16 mei 1651 was hij aan zijn grote reis begonnen, die hem naar Wenen bracht; in 1652 trok hij via Venetië en Genua naar Rome, waar de Bentvueghels, het Nederlandse kunstenaarsgenootschap, hem de bijnaam Batavier gaven, naar het oude volk van de Nederlanden. In 1653 keerde hij terug naar het keizerlijke hof en volgde hij het hof in de herfst naar Regensburg.
Uit deze Weense periode stamt ‘Man bij een raam, 1653’, dat tegenwoordig in hetzelfde museum hangt als de keizerlijke penning. Een oude man met een met bont afgezette muts leunt achter het geopende raam van een venster met ronde ruitjes, zijn grijze baard valt over het kozijn en zijn blik gaat aan ons voorbij. Op de stenen vensterbank staat een piepklein glazen flesje, zo nauwkeurig geschilderd dat men ernaar zou willen grijpen. We ervaren het schilderij als een proef op de som, want opnieuw moet het oog een geschilderd venster vertrouwen.
In 1656 keerde hij terug naar Dordrecht. Op 22 mei namen de munters van Holland hem op in hun broederschap, en bij de Dordtse Munt diende hij uiteindelijk als provoost, een soort opzichter; op 18 juni trouwde hij met Sara Balen. Daarnaast schreef hij sonnetten en treurspelen, en in zijn atelier leerden Aert de Gelder en diezelfde Arnold Houbraken, die later de anekdote over de keizer optekende. Van 1662 tot 1667 woonde hij in Londen en schilderde hij voor verzamelaar Thomas Povey een groot perspectiefstuk. Samuel Pepys, de beroemdste dagboekschrijver van Engeland, trapte er in januari 1663 tweemaal in en noteerde dat achter de geopende kastdeur niets anders had gehangen dan een vlak schilderij; juist dat bewonderde hij het meest.
Het verst dreef hij het spel in zijn perspectiefkasten. Wereldwijd zijn zes van zulke kasten uit de 17e eeuw bewaard gebleven; de beroemdste is van Hoogstraten en heeft als enige twee kijkgaten. De ‘Perspectiefdoos van een Nederlands interieur’ demonstreert het principe: een kast van notenhout, vanbinnen beschilderd met olieverf, met daarbij een glazen spiegel die het licht naar binnen leidt. Vanaf de open zijde lijken de vormen vervormd; een kat duikt weg op de gedekte tafel naast een schaal met oesters, daarachter opent zich een donkere boog met het opschrift Memento Mori, gedenk te sterven. Pas door het kijkgat voegt alles zich samen tot een overtuigende kamer.
De subtielste van zijn misleidingen hangt in het Louvre: ‘De pantoffels, late 17e eeuw’. Het museum dateert het schilderij tussen 1655 en 1662. Te zien is een blik door open deuren in een lege enfilade van kamers; een bezem leunt tegen de muur, een sleutelbos hangt aan de stoel en op de drempel wachten de pantoffels. Misleid door een valse signatuur schreef de 19e eeuw het tafereel toe aan de schilder Pieter de Hooch, en enige tijd gold het als een werk van Vermeer; zelfs een hond en een meisjesfiguur werden erin geschilderd en later weer verwijderd. Pas in 1955 stelde kunsthistoricus Eduard Plietzsch voor het schilderij aan Hoogstraten toe te schrijven; tegenwoordig is die toeschrijving onomstreden. Het hangt onder zijn ware naam in het Louvre, en diezelfde naam staat nu ook op de kunstdrukken die wij voor onze klanten vervaardigen.
Ten slotte richtte de bedrieger zijn blik op zichzelf en zijn kennis. In 1677 schilderde hij een ‘Zelfportret’. In 1678 verscheen in Rotterdam zijn leerboek, de Inleyding, een inleiding tot de hoge school van de schilderkunst in negen boeken, die elk aan een muze zijn gewijd, en tegelijk de enige omvattende schildertheorie van een Nederlandse kunstenaar uit de latere 17e eeuw. Daarin oordeelde de leerling van Rembrandt over de Nachtwacht, het beroemde groepsportret van schutters door zijn leermeester: het was zo schilderachtig opgevat en zo krachtig dat alle andere schuttersstukken ernaast op speelkaarten leken; alleen had hij meer licht gewenst. Na de verschijning restten de auteur nog slechts enkele maanden. 19 oktober 1678 werd zijn laatste dag; Dordrecht begroef zijn muntprovoost in de Munterskapel van de Grote Kerk. Sara, zijn vrouw, stierf enkele weken na hem, op 22 november 1678.