Zodra je voor het schilderij van standpunt verandert, glijdt er een zachte glans over de gele achtergrond - het gesatineerde oppervlak van het Leonardo-doek weerkaatst het licht niet hard, maar laat het over het oppervlak glijden. Op dit oppervlak staat een jonge vrouw in een open, gedessineerde mantel, met de waaier voor haar borst en het hoofd in profiel gedraaid. Om haar heen spreidt Gustav Klimt een fauna en flora uit, zoals hij die kende van Oost-Aziatische textiel: een feniks met een lange staart, een kraanvogel, lotusbloemen, alles op stralend geel. Klimt schildert het schilderij in 1917, in het laatste jaar voor zijn dood, en het staat nog op de ezel in zijn atelier wanneer hij in februari 1918 overlijdt. De gouden periode ligt toen al lang achter hem; in plaats van bladgoud is het hier de verf zelf die de glans draagt - vrijer aangebracht, losser, bijna vrolijk.
Juist deze glans maakt het schilderproces zichtbaar, zonder te overdrijven. Van voren bekeken blijft het schilderij rustig en kleurrijk; pas vanuit een hoek legt zich een gelijkmatige glans over het geel, terwijl de donkerblauwe delen van het gewaad matter achterblijven - een verschil dat je eigenlijk pas opmerkt als je erlangs loopt, maar dat je daarna steeds weer zoekt. De lijst ‘Ava’ speelt hetzelfde spel met andere middelen: de brede, gewelfde gouden rand vangt het licht in de ruimte op als een lange, warme strook; daartussen zorgen donkere krasjes in het verguldsel ervoor dat niets ervan nieuw of glad overkomt. Met afmetingen van 48 x 48 cm blijft het geheel een geconcentreerd vierkant dat verbazingwekkend veel ruimte op de muur in beslag neemt. Dat juist dit lichte, losse schilderij tot Klimts laatste behoort, geeft het achteraf gezien iets verzoenends - hier hangt het zonder enige zwaarte.